« Pierre Clemens » Jack Keguenne

Du plus loin que je connaisse cette œuvre encore jeune, et malgré la diversité des techniques utilisées où en dépit des apparences, je constate que c’est avec une grande cohérence que s’affirme le travail de Pierre Clemens. Son approche est sans doute plus intuitive que réfléchie – mais ceci ne nuit en rien au résultat – car lui-même peine un peu à établir un fil conducteur entre ses différentes recherches. Et pourtant…

Ses premiers tableaux, des vues en contre-plongée de tables ou de chaises, de figurations, proposaient déjà cette bascule du regard, cette contemplation des hauteurs, dans une mise en perspective inhabituelle qui préfigurait les paysages qu’il crée aujourd’hui par image de synthèse. Entre-temps, il est intervenu sur des cartes postales et a corrigé ces prises de vues banales pour touristes en badigeonnant de noir certaines parties de l’image pour en remodeler complètement les masses et donner à découvrir des paysages mixtes entre photographie au ras du réel et peinture abstraite. Ces interventions étaient minimales, composées de formes simples, et cette économie de moyens demeure une constante chez Clemens qui préfère utiliser la répétition d’un procédé en maintenant chaque pièce dans une relative discrétion. En effet, les apparences pourraient tromper, ce qui est en jeu dans ce travail relève bien moins des aspects plastiques que de l’émotion et, à cet égard, il touche à l’intime même lorsqu’il prend des dimensions monumentales.

Peintre, dessinateur, créateur d’images, Pierre Clemens ne néglige certes pas les lois et les contraintes du langage plastique, mais ce travail m’apparaît comme un prétexte, une voie, dans la recherche d’une expression fort négligée de nos jours, celle qui touche au sentiment du Sublime. Peut-être reste-t-il un romantique à une époque qui l’est fort peu mais Clemens tente de rencontrer, de susciter, l’impression du grandiose, il recherche cette élévation de l’esprit désireux de saisir ce qui le dépasse; pas question de spiritualité bien sûr, on reste sur terre devant les masses majestueuses de paysages montagneux ou désertiques, quitte à ce qu’ils soient fabriqués de toutes pièces à l’ordinateur et représentés sous une forme imposante mais énigmatique. Devant ces spectacles, on cherche aussi bien son souffle qu’on accepte de se trouver abasourdi, ramené, comme je le disais, à l’intime, entre étonnement et jubilation. Ce n’est donc pas a contrario de cette impression d’immensité, de ce sens du vaste, mais dans le prolongement de ce trouble intérieur que l’autre versant du travail de Pierre Clemens aborde les vanités. Dépassé par les démesures de la nature, l’homme ne peut que se retourner vers lui-même et s’interroger sa place, son statut temporaire, en sursis. Ainsi, Clemens aborde-t-il, entre autres, l’autoportrait, en manière de se confronter au temps et à l’espace, aux questions de la représentation. Manière aussi d’interroger le réel car les vanités sont remplies d’illusions, le portrait n’a qu’une valeur éphémère et les images créées de toutes pièces jettent le désordre dans nos repères.

Et Clemens de poursuivre dans cette veine en montrant des paysages rocailleux construit à partir de la forme d’un crâne humain. Il tisse ainsi un lien fécond entre l’organique et le minérale, aller et retour puisqu’à d’autres moments il dessine des figures humaines aux allures de galets et qui, eux-mêmes, n’émergent qu’en traces d’encre de Chine dans une métamorphose continue. Il y a, chez Pierre Clemens, la manifestation d’une exigence au monde qui déborde largement le cadre discret de chaque œuvre et un plaisir de créer en taquinant le tragique. Ici, pas de vision absolue mais un usage des fragments qui s’invente un vocabulaire puis finit par établir un inventaire, construire une identification entre le portrait et le paysage car aux deux nous faisons face et il s’agit bien alors de convoquer le regard, soit contemplatif soit méditatif. Dans tous les cas, il s’agit de faire surgir la force de l’émotion, d’amener à un retour sur moi-même et de garder intact le plaisir de l’émerveillement.

Jack Keguenne, septembre 2003.

Ik ken al een tijd het nog jonge oeuvre van Pierre Clemens.  Hij gebruikt tal van verschillende technieken maar niettegenstaande die diversiteit is er in zijn werk een grote samenhang terug te vinden. Zijn manier van werken is wel eerder intuitief dan beredeneerd – wat overigens niets afdoet aan het resultaat – want zelf zoekt hij nog een beetje zijn weg tussen de verschillende benaderingen  van zijn kunst. Toch mogen we zeker van een groeiend talent spreken. Zijn  eerste schilderijen, afbeeldingen in kikvorsperspectief van tafels, stoelen of figuraties, toonden reeds die richting van de blik, die kijk naar omhoog vanuit een ongewoon perspectief, een voorloper van de landschappen  die hij nu in totaalbeelden creëert. Ondertussen bewerkte hij ook postkaarten en transformeerde hij banale kiekjes voor toeristen door sommige delen zwart te kleuren, zodat het geheel totaal werd hertekend en er gemengde landschappen ontstonden, die het midden hielden tussen fotografie en abstracte kunst. Deze bewerkingen waren minimaal en eenvoudig en dit werken met beperkte middelen blijft een constante bij Clemens, die graag het procédé van de herhaling toepast en ieder element in zijn relatieve eenvoud laat.

Toch mag men zich niet vergissen, want in dat werk domineert vooral de emotie, veel minder dan het plastische aspect, en in dit opzicht raakt het de toeschouwer diep, zelfs als het in zeer grote afmetingen wordt getoond. Schilder, tekenaar, schepper van beelden  is hij en zo gehoorzaamt hij weliswaar aan de wetten van de beeldende kunsten, maar die dwang lijkt mij slechts een voorwendsel voor een zoektocht die moet uitmonden in de weergave van iets wat  vandaag de dag sterk wordt verwaarloosd nl. het gevoel van het Verhevene.  Misschien is Pierre Clemens een romanticus gebleven in een tijd waarin de romantiek ver te zoeken is, maar hij probeert steeds weer het grandioze op te wekken, hij is op zoek naar de verheffing van de geest  die haar grenzen weet te overstijgen. Over spiritualiteit spreken we hier niet – wij blijven met beide voeten op de grond – maar wij worden  wel geconfronteerd met berg- of woestijnachtige landschappen, die indrukwekkend en raadselachtig van vorm blijven, ook al zijn ze helemaal met de computer tot stand gekomen.

Bij het zien van die geweldige spektakels snakt men soms even naar adem, maar blijft men geboeid op zoek gaan naar de innerlijke dimensie, gedreven door verwondering  én bewondering. Het staat ook niet in tegenstelling met de weergave van het immense, met zijn voorliefde voor grootse  afmetingen,  wanneer Clemens in een ander deel van zijn werk de nietigheid benadrukt. Overweldigd door de grootsheid van de  natuur kan de mens alleen terugplooien op zichzelf en vragen stellen over zijn plaats in de wereld en zijn tijdelijk  alhier. Ook als hij vertrekt van het zelfportret wil hij een confrontatie aangaan met de tijd en de ruimte. Dit is tevens een middel om op zoek te gaan naar wat écht reëel is, want datgene waarop men trots is zit vaak vol illusies.Een portret blijft ook maar korte tijd gelijkend en we worden soms van de wijs gebracht door zaken die helemaal niets terzake doen.  Clemens boort deze ader verder aan door rotsachtige landschappen te tonen, vertrekkend vanuit de vorm van een menselijke schedel. Hij weeft ook een vruchtbare band tussen het organische en het minerale en omgekeerd, vermits hij soms menselijke figuren tekent die eruit zien als strandkeien, die zelf door een voortdurende metamorfose ontstaan, en getraceerd worden in Chinese inkt. Pierre Clemens voelt de behoefte zich te manifesteren en schept er plezier in zijn  werk te laten aanleunen bij het tragische. Een totaalvisie moet men hier niet  zoeken, wel het gebruik van fragmenten , zodat hij een eigen vocabularium uitvindt dat uitmondt in een inventaris. In elk geval laten we de kracht van zijn emotie voelen, die daarna overbrengen op onszelf en tenvolle van zijn werk genieten !

Jack Keguenne, sept. 2003

(Vertaling : Marie-Thérèse Huyghe)